nl en
+31 76-5226470
+31 76-5226470

Ontbinding van de overeenkomst: verzuim en ingebrekestelling

Ontbinding van de overeenkomst: verzuim en ingebrekestelling

Op 11 oktober 2019 heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gewezen over verzuim en ingebrekestelling. Het ging in deze zaak over een door de hoofdaannemer ingeroepen (buitengerechtelijke) ontbinding jegens de onderaannemer. Vragen die voorbij kwamen gingen onder meer over de termijn die voor de ingebrekestelling moet worden gehanteerd en de invloed van de (bijna onvermijdelijke) ‘omstandigheden van het geval’ en de redelijkheid en billijkheid.

Wanneer een contractspartij een overeenkomst wenst te ontbinden moet eerst sprake zijn van verzuim bij de andere partij. Wanneer is daar sprake van?

Voor de beantwoording van deze vraag kunnen twee situaties worden onderscheiden. In de eerste plaats de situatie dat partijen in het contract een zogenaamde fatale termijn zijn overeengekomen. Een duidelijk voorbeeld daarvan is de betaling van de huurprijs. Als sprake is van bijvoorbeeld maandelijkse huurbetalingen, hoeft de huurder niet eerst herinnerd te worden aan zijn betalingsverplichting. Als niet (of te laat) wordt betaald, is een fatale termijn overschreden, hetgeen - zonder dat ingebrekestelling is vereist - een verzuim oplevert.

Overigens levert het overeenkomen van een specifieke datum niet altijd een fatale termijn op. Zo heeft de Hoge Raad in een arrest van 20 januari 2020 - in navolging van het gerechtshof - geoordeeld dat de (mondeling overeengekomen) levering van een bedrijfspand “uiterlijk op 31 december 2011” in het algemeen spraakgebruik weliswaar “niet later dan 31 december 2011” betekent, maar dat dit niet per se betekent dat de termijn een fataal karakter heeft, die direct tot verzuim leidt. Dat laatste hangt, volgens de rechter, af van de context waarbinnen dit is gezegd en de overige feiten en omstandigheden van het geval. Hier speelde onder meer mee dat niets schriftelijk was vastgelegd. De verkoper die in dit geval tot ontbinding was overgegaan omdat de koper aangaf niet vóór 31 december 2011 te kunnen afnemen, haalde dus bakzeil in de procedure. Hij had dit hoogstwaarschijnlijk nog wel kunnen voorkomen door expliciet in de overeenkomst op te nemen “dat de leveringstermijn een fatale termijn is waarvan de overschrijding zonder nadere ingebrekestelling direct verzuim oplevert”.

In de tweede plaats is er de situatie dat voor de nakoming van een verbintenis géén termijn is bepaald. Dan treedt het verzuim in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld door middel van een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.

De functie van een ingebrekestelling, zo overwoog ook de Hoge Raad in het arrest van 11 oktober 2019, is om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is. Blijft nakoming alsnog uit, dan is de schuldenaar na de gestelde termijn in verzuim. De andere partij heeft dan de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden.

In de uitspraak van 11 oktober 2019 oordeelde de Hoge Raad - in het voordeel van de hoofdaannemer die zich beriep op ontbinding - dat het de schuldenaar in de meeste gevallen niet vrijstaat om te wachten met de voorbereidende handelingen tot hij aangemaand wordt. Ook termijnen die eerder zijn gesteld, alsook door de schuldenaar zelf gewekte verwachtingen ten aanzien van de termijn van nakoming, kunnen van belang zijn bij de beoordeling van de redelijkheid van de in de aanmaning gestelde termijn. De omstandigheden dat die eerdere termijnen geen fataal karakter hadden en dat de eerdere sommaties niet aan de vereisten van een ingebrekestelling voldeden, staan er niet aan in de weg dat zij kunnen leiden tot verkorting van de termijn die de schuldenaar bij een daaropvolgende aanmaning moet worden gegeven om na te komen, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar in verzuim komt.

Wij zien in de praktijk regelmatig discussies over de vraag of op een juiste wijze in gebreke is gesteld. Dat betreft zowel de ‘gewone’ ingebrekestelling (het gebrek moet uiterlijk op datum x zijn hersteld), als de zogenaamde ‘termijnstelling-uitlating’ (uiterlijk op datum y moet schriftelijk zijn bevestigd dat wordt hersteld c.q. moet zijn aangegeven wat de kwaliteit is van het herstel). Discussies over een juiste wijze van in gebreke stellen hebben uiteraard directe consequenties voor de vraag of de overeenkomst al dan niet rechtsgeldig kan worden ontbonden.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u uiteraard altijd contact met mij opnemen via vanbaaren@kochadvocaten.nl of 06-10935597. 

 

Altijd op de hoogte blijven? Volg ons op Linkedin!